dag papa,
Als je nog leefde, zou je volgende maand 96 geworden zijn.
Als je nog leefde, zouden we vandaag met zijn allen op bezoek zijn geweest. Waarschijnlijk met je favoriete sigaartjes of het donkere bier dat je zo graag dronk.
Je zou trots geweest zijn op je drie kleinkinderen en jouw hand op mijn schouder zou veel meer zeggen dan alle woorden samen: 'Je hebt dat goed gedaan, jongen.'
Papa, ik kan me jou nu moeilijk voorstellen, ruim veertig jaar later.
Zou je nog steeds diezelfde zachte man zijn, waar ik zo naar opkeek? Zou je de harde kantjes van mama afgevijld hebben en haar op tijd en stond met beide voeten op de grond gezet hebben? Zou je nog steeds die schalkse ruiter zijn, die niet verlegen zat om een kwinkslag?
Papa, zou ik je boog gekregen hebben, die na je dood 'verdwenen' is uit de schuttersvereniging door toedoen van mensen waarvan wij dachten dat ze vrienden waren?
Papa, ik heb je verwenst. Vaak heb ik voor jouw witte marmeren steen gestaan met slechts één woord op de lippen: 'waarom?' Maar ik besef dat er geen antwoord is op die vraag. Omdat kanker geen onderscheid maakt. Het is niemands fout dat je ziek werd en die ziekte je uiteindelijk fataal werd. En ik weet wat je zou zeggen: 'Neen, jongen, dit is geen speling van het lot. Want het lot bestaat niet, we zijn niet voorgeprogrammeerd.'
Papa, het klinkt ongelooflijk melig, maar vandaag heb ik voor de eerste keer in veel jaren gefluisterd: ik mis je.
zondag 9 juni 2013
zondag 19 mei 2013
... en zo zou het verder kunnen gaan
- ‘Goedemorgen…’
- ‘Goedemorgen… ai, mijn
hoofd.’
Het was het eerste woord dat
ze sinds gisterenavond tegen hem zei. Wat er overgebleven was van de nacht
hadden ze al vrijend doorgebracht. Geen van beide had hier op aangestuurd, geen
van beide had zich er tegen verzet. Nu de zon zich door de luiken priemde,
probeerde hij zich de voorbije avond te herinneren. Ach ja, die dekselse meiden
die hem uitgedaagd hadden tot een discussie waar hij zoals steeds metershoog
tegenop zag.
- ‘Wil je dat ik ontbijt voor
je klaar maak?’
- ‘Graag. Vooral veel koffie
als het kan. Voor de rest zie je maar.’
- ‘Ik ben zo terug.’
Hij keek haar na, terwijl ze
naakt naar de keuken slofte. Ze was mooi, vreemd dat hij dit nooit eerder
gezien had. En ze was vurig, mijn god! En hij schaamde zich nu al omdat hij
binnenkort toch weer een punt hierachter zou zetten. Niemand was er immers ooit
in geslaagd om hem Robin te kunnen doen vergeten.
In de keuken hoorde hij haar
rommelen met pannen en potten en enkele minuten later dwarrelde de geur van
sterke koffie de slaapkamer binnen. Elise liet de boter sissen in de pan en
klutste er wat eieren in, die ze rijkelijk met kruiden bestrooide. Vreemd: hoe
wist ze dat hij dit graag had? Hij hoorde haar brood snijden en dikke plakken ontbijtspek,
ze neuriede een deuntje dat hij gisterenavond nog gehoord had in het café: les
patineurs van Emil Waldteufel. Hij zat te dagdromen en zag niet eens dat ze
terug bij hem onder de lakens kroop. Het was de warmte van haar huid en de
zachtheid van haar stem die hem terug tot de realiteit bracht.
- ‘Ik weet wat je denkt.’
- ‘O ja?’
- ‘Ja. Ze is Robin niet.’
- ‘En waarom zou ik dit
denken?’
- ‘Omdat zij jouw gedachten
beheerst.’
- ‘Niet waar.’
- ‘Wel waar, spreek me niet
tegen,’ en ze drukte haar lippen op die van hem. Ze had op dit vroege uur
duidelijk geen zin in dit soort van discussie. En hij eigenlijk ook niet, nooit
trouwens. Dat was de reden waarom hij naar dit onooglijke boerengat gevlucht
was. Hij probeerde zich te herinneren hoe lang dit nu al duurde. Drie jaar,
vier jaar? In elk geval veel te lang om goed te zijn. Sinds Robin uit zijn
leven verdween, had niets of niemand hem nog uit die lethargie kunnen weghalen.
Hij liet alles op zijn beloop en leefde omdat hij niet wilde doodgaan.
- ‘Je ontbijt is klaar, kom
je?’
- ‘Ik kom.’
Met een zucht kroop hij uit
het bed, sloeg zijn ochtendjas om zich heen want hij had het ineens koud, en
sjokte naar het terras. Hier kon hij voor even zijn zorgen vergeten als hij
uitkeek over de wijn- en olijfgaarden, met in de verte het wazige silhouet van
de Mont Ventoux. Nergens was de zonsopgang mooier dan hier.
Elise had zijn koffie al
uitgeschonken. Hij legde zijn handen rond de dampende mok en nam de warmte in
zich op. Hij nam een slok en liet zijn bord rijkelijk volscheppen. Het brood
was vers, wie had daar voor gezorgd? Ze zag hem denken en knipoogde. Zeker een
van haar geheime aanbidders die zich zo vroeg op de dag al uitgesloofd had voor
haar. Ach, wat maakte het uit?
Hij bedacht wat hij vandaag
zou kunnen doen. Dat was op zich al een wonder, want meestal bestond zijn dag
uit slenteren en niksen. Om daarna in het café vergetelheid te zoeken. Hij
kauwde traag op het brood en genoot van de eieren en het ontbijtspek. Het was
precies gebakken zoals hij het graag had. Elise neuriede tijdens het kauwen en
keek naar hem maar zei niets. Voor haar volstond het dat ze daar was, ze had
een missie: zij zou hem Robin doen vergeten, dat had ze zichzelf gezworen op de
dag dat ze hem voor het eerst zag.
- ‘Wat ga je vandaag doen?’
- ‘Ik weet het nog niet.’
- ‘Wil je met me mee naar
Avignon, ik moet er materiaal gaan kopen voor mijn atelier?’
- ‘Avignon.., dat is wel twee
uur rijden met de bus.’
- ‘Neen, ik ga met de pick-up
van Julien, dan ben ik er op een uurtje.’
- 'En waarom zou ik in godsnaam meegaan?'
vrijdag 29 maart 2013
Open brief aan Hendrik Bogaert
Mijnheer de staatssecretaris,
Begin september zal het dertig jaar geleden zijn dat ik bij 'de Staat' in dienst kwam. Toen was er het hardnekkige gerucht - toegegeven, niet helemaal ten onrechte - dat ze daar allemaal luieriken en profiteurs waren. Maar er is veel veranderd, heel veel veranderd. De moderne ambtenaar is zich wel degelijk bewust van zijn maatschappelijk belang, neemt zijn taak ernstig en werkt hard. Misschien dringt dat niet door tot bij u, omdat u zich laat bijstaan en adviseren door dikbetaalde consultants, die zonder blikken of blozen de praktijken uit de privé sector willen toegepast zien in de ambtenarij. Twee totaal verschillende werelden met totaal verschillende doelstellingen en dus ook totaal verschillende werkwijzen. En dus zou de aanpak ook totaal verschillend moeten zijn. Maar neen, uw consultants zijn zo zelfingenomen en zo overtuigd van hun eigen gelijk, dat elkeen die vanuit de ervaring van de werkvloer spreekt per definitie wel ongelijk moet hebben.
Weet u, mijnheer de staatssecretaris, eigenlijk hoe het er aan toe gaat in de ambtenarij? Heeft u zich daar zelf ooit van vergewist? En denkt u dat uw duurbetaalde consultants dat ooit gedaan hebben? Ze werken met modellen uit hun heilige privésector, komen je de les spellen en verkopen voor de rest enkel maar gebakken lucht!
U gaat er prat op dat u maximaal kan besparen ten koste van de ambtenaren. Want u blijft hardnekkig hameren op het feit dat de ambtenarij draait op misbruiken, gesjoemel en profitariaat. En u hebt zichzelf uitgeroepen tot de moderne Hercules, die deze Augiasstal wel eens zal uitmesten. U negeert straal elke vorm van overleg, omdat u vasthoudt aan uw idées fixes en kost wat kost de beste leerling van de klas wil zijn.
Mijnheer de staatssecretaris, die in een niet zo ver verleden een succesvol zakenman was (het verhaal van uw pralines, nietwaar?), u vergeet in uw besparingswoede wel een belangrijk ding: u kan zoveel ambtenaren laten afvloeien, ontslaan en niet vervangen als u maar wil, maar vroeg of laat valt de molen van het systeem stil. En wat dan? Denkt u nu echt dat u mensen kan vervangen door computers? Denkt u echt dat een dossier van pakweg de belastingen of de RSZ op dezelfde manier kan afgewerkt worden als de robots in de auto-assemblage hun 'product' afwerken?
Ik kan me niet inbeelden dat u dom bent, evenmin dat u naïef bent. Ik kan dus alleen maar besluiten dat u van kwade wil bent.
vrijdag 22 maart 2013
Kim
Ik weet
het, het is onbetamelijk. Maar in de laatste minuten van het proces-De Gelder
had ik even de neiging om compassie te krijgen met de beklaagde. Het is en
blijft niet goed te praten wat hij gedaan heeft en het is nog minder goed te
maken voor de nabestaanden, maar de manier waarop het proces in de media is
gevoerd en vooral hoe gerenommeerde advocaten – Vermassen op kop, wat
permitteert die zich wel? - zich weer maar eens hebben laten meeslepen door hun
mediageilheid, maakt dat een sereen oordeel al bij voorbaat uitgesloten was. Al
lang vóór De Gelder ook maar een voet in de zaal van het Assisenhof gezet had,
was hij al veroordeeld.
Advocaten
en pers moeten zich echter dringend beraden over hun gedrag: in hoeverre dragen
ze immers niet bij aan de ondermijning van de rechtsstaat die ze beweren te
verdedigen? Denk aan Els Clottemans, die veroordeeld is zonder enig bewijs.
Moet je daar als advocaat fier op zijn? Moet je daar als journalist blij mee
zijn, nadat je wekenlang in columns en artikels zelfs al de noodzaak van een
(zo) eerlijk (mogelijk) proces in twijfel hebt getrokken? En wat te denken van
de ‘professionals’, die de volksjury weer maar eens ter discussie stellen? We
gaan ze toch geen gelijk geven?
Kim De
Gelder hoort vandaag welke vorm van vergeetput zijn deel wordt. En hij zal daar
de rest van zijn leven moeten mee leren omgaan. Levenslang, net zoals de
nabestaanden van de slachtoffers van zijn moorddadige raids. Net zoals zijn
eigen ouders en familie, die met de vinger nagewezen worden en perfect weten
wat er achter de handen gefluisterd wordt. Ook die last draagt hij mee, wat
anderen ook mogen beweren.
Naast al
deze verliezers zou er maar één enkele winnaar mogen zijn: onze democratische
rechtsstaat.
Heeft Kim De Gelder recht op een proces? Ja.
Moeten alle betrokken partijen dit proces ernstig nemen? Ja.
Moeten we ons neerleggen bij de wijsheid van de volksrechtbank? Ja.
Want het alternatief is de jungle van de wetteloosheid, waar de ‘sterksten’ altijd gelijk krijgen.
Heeft Kim De Gelder recht op een proces? Ja.
Moeten alle betrokken partijen dit proces ernstig nemen? Ja.
Moeten we ons neerleggen bij de wijsheid van de volksrechtbank? Ja.
Want het alternatief is de jungle van de wetteloosheid, waar de ‘sterksten’ altijd gelijk krijgen.
zondag 3 maart 2013
Begin van een verhaal?
Ze wist het niet, maar elke avond stond hij in de tuin onder
haar raam. In de hoop een glimp van haar te kunnen zien. Hij wilde niet dat zij
hem zag, want dan zou de magie verbroken kunnen worden.
Ze zou naar hem toe komen en dan moest hij dingen bekennen
waarvan hij niet eens zelf zeker was.
Hij vond haar mooi, hemels mooi, maar hoe kon hij haar dat uitleggen zonder dat zij wist hoe hij dat wist?
De eerste keer dat hij haar zag stond zijn wereld stil: op een receptie bij zijn ouders. En even later de tweede keer, opnieuw wist hij niet meer: ze liep gewoon voorbij in een fleurige zomerjurk, haar korte haren weerbarstig tegen de lichte zomerbries in. Ze was verdiept in haar gedachten en hij, wat wilde hij graag weten wat ze dacht. Ze droeg een map met aantekeningen: zou ze een boek schrijven? En waar zou dat boek dan wel over gaan? Zou er een plaatsje zijn voor hem in dat verhaal?
Hij vond haar mooi, hemels mooi, maar hoe kon hij haar dat uitleggen zonder dat zij wist hoe hij dat wist?
De eerste keer dat hij haar zag stond zijn wereld stil: op een receptie bij zijn ouders. En even later de tweede keer, opnieuw wist hij niet meer: ze liep gewoon voorbij in een fleurige zomerjurk, haar korte haren weerbarstig tegen de lichte zomerbries in. Ze was verdiept in haar gedachten en hij, wat wilde hij graag weten wat ze dacht. Ze droeg een map met aantekeningen: zou ze een boek schrijven? En waar zou dat boek dan wel over gaan? Zou er een plaatsje zijn voor hem in dat verhaal?
Toen hij op een dag op een terras zat, had hij eerst niet eens
in de gaten dat ze enkele tafels verder van hem zat. Wéér driftig met haar
aantekeningen bezig. Als ze opkeek, draaide hij snel weg. Wat moest ze wel niet
van hem denken, een wildvreemde die haar zo zat te begluren? Hij probeerde haar
in te schatten: zijn leeftijd of iets jonger, ogen die de sporen van veel
verdriet in zich droegen, kuiltjes in haar wangen die toch wezen op vrolijke
momenten... Ach, had hij nu maar het lef haar aan te spreken!
Ze woonde bij haar papa in een ruime villa met grote ramen. Omdat ze zich niet bewust was van zijn verborgen aanwezigheid, liet ze ramen en gordijnen wijd open staan. Hij zag hoe ze vermoeid opkeek van haar notities en door de kamers slenterde. Een zacht muziekje murmelde op de achtergrond: iets klassiek, maar hij kon het niet direct thuisbrengen. Hij hoorde hoe de kranen van het bad werden opengedraaid en hij wist dat hij weer getuige zou zijn van een vast ritueel: hoe ze zich langzaam uitkleedde en haar lichaam bestudeerde voor de grote spiegel. Haar handen die de randen onder haar vermoeide ogen betastten, langs haar nek over haar schouders gleden. Hoe ze even haar borsten masseerde en haar vingertoppen op haar tepels liet rusten. Haar buik, haar dijen.... Hoe ze zich langzaam in het warme water liet zakken en genoot van de intense geur van de badolie. Hij wist dat ze ruim haar tijd zou nemen en dat hij intussen kon dromen hoe heerlijk het zou zijn als hij nu aan de rand van het bad kon zitten en met haar praten, wachten tot ze uit het water zou komen en haar zachtjes en bedeesd zou afdrogen. Zou hij kunnen weerstaan aan zoveel schoonheid? Of zou hij over zijn woorden struikelen en beschaamd wegvluchten?
Zou ze hem eigenlijk al ooit opgemerkt hebben? Geen teken van herkenning, geen blik, geen woord, niets wees er op dat hij meer dan lucht voor haar was. Een van de zovele anonieme mensen die het straatbeeld bevolken zonder dat je het goed en wel beseft. En hij, hij had ook nooit de moed gehad om uit die anonieme massa te voorschijn te komen.
Op een avond liep hij doelloos door de straten. Voor hij het goed en wel besefte stond hij weer in haar tuin. Het was echt onbewust, hij had dit helemaal niet in gedachten gehad.
Vreemd: er was geen licht in het huis. Ze had er nochtans moeten
zijn, want hij kende haar gewoonten. Zou er iets met haar gebeurd zijn? Zou ze
voorgoed verdwenen zijn alvorens hij de kans gehad had om haar aan te spreken,
gewoon haar naam te vragen. Hij voelde zich er niet goed bij: verward,
teleurgesteld, bang. Hij zag zijn droom in rook opgaan.
En dan plots een hand op zijn schouder: 'Ik ben Robin, ik denk
dat je op mij wacht'...........
dinsdag 4 december 2012
30 november
Het Grote Boekexperiment: '250 in zicht'. De vraag was: wie wil een hoogstpersoonlijke bijdrage leveren en schrijven over iets wat hem of haar diep geraakt heeft? Lang heb ik niet moeten nadenken.
30 November
Hoe lang heeft een
litteken nodig om te genezen? Enkele maanden, een jaar, tien jaar? Of geneest
het nooit?
Vandaag precies veertig jaar geleden, op 30 november 1972, stierf mijn papa. Ik
was twaalf en zat sinds enkele maanden op internaat. Dat was een bewuste keuze
van mijn mama, het waarom van die beslissing weet ik tot op vandaag niet.
Tenzij ‘prestige’, de buitenwereld die moest zien dat mijn broer en ik naar die
kwaliteitsschool gingen en níet naar de school waar al mijn vrienden aan hun
humaniora zouden beginnen.
Eigenlijk heb ik dus
op drie maanden tijd tweemaal verloren: mijn vrienden (die ik nu nog steeds
moeilijk onder ogen durf komen omdat ik het gevoel dat ik hen verraden heb maar
niet van me af kan zetten) en mijn grote voorbeeld. Papa stierf aan longkanker.
We wisten dat er ‘iets’ was waarom hij in het ziekenhuis moest blijven, maar
mama heeft de waarheid altijd verzwegen. Toen de directeur ons na het avondmaal
apart nam en het droevige nieuws vertelde (second hand!), kwam dat dus aan als
een ijs- en ijskoude douche.
Zes dagen later: de
begrafenis. Puzzelstukken die me altijd bijgebleven zijn en me tot op vandaag
koude rillingen bezorgen bij elke begrafenis waar ik naar toe ga: de geur van
de rouwkapel, de doffe slagen van de trom en de melancholie van de muziekkapel,
de kerkklokken die slag na slag in mijn hoofd blijven bonken. Ik heb geen traan
gelaten, ik kon het gewoon niet. Want ik begreep niet wat er gebeurde en
niemand legde het mij uit. En ’s anderendaags gewoon terug naar school, alsof
er niets gebeurd was. Iedereen was vriendelijk tegen mij, maar ik haatte het
want het kwam aan als medelijden.
En het ergste moest
nog komen. Het kind in mij begon aan de moeilijke weg van de puberteit. Alleen.
Elke maandag morgen vertrok ik met lood in de schoenen, stilletjes huilend
achteraan in de auto. Elke vrijdag kwam ik naar huis met een reiszak vol vuil wasgoed
en een berg vragen. De was werd gedaan, de vragen bleven onbeantwoord. In mij
groeide het stille verwijt dat ik weg móest van mijn vertrouwde omgeving:
thuis, familie, vrienden. Terwijl iedereen rondom mij gelukkig leek en vol
zelfvertrouwen de wereld tegemoet kwam, zonk ik steeds verder weg in mijn eigen
wereld. En daar draag ik tot op vandaag de sporen van. Ik ‘mis’ iets in mijn
persoonlijkheid. Mijn mama is nu tachtig, maar ze zal nooit een antwoord geven
op mijn vragen. Ze ondergaat liever mijn verwijten, ze begrijpt niet waarom ik
haar de dingen kwalijk neem die ze gedaan heeft. Ze kiest tot op vandaag voor
zichzelf en dat smaakt bitter.
Als ik vandaag de man
ben die ik ben, niet volmaakt maar wel doorsnee gelukkig, dan heb ik dat te
danken aan mijn vrouw. Achtentwintig jaar kennen we mekaar, zij is de balsem op
mijn wonden. Dank zij haar ben ik mezelf terug gaan respecteren en heb ik
geleerd dat ik die negatieve energie overboord moet gooien. Zij heeft me uit
het moeras getrokken, op het droge gezet, gewassen en verzorgd. Ze heeft me
eten en drinken gegeven, gekleed en… gekneed. En zelfs met een miljard woorden
zou ik nooit kunnen omvatten hoe dankbaar ik haar ben. Dit is pure liefde in al
zijn eenvoud, geloof me. En dat is het enige medicijn tegen blauwe plekken op
de ziel.
maandag 26 november 2012
Cypriotische kapriolen (2): Heimwee naar het moederland
Ah, dacht ik, toen ik vertrok: Cyprus, dat is toch hoofdzakelijk Grieks, dus: moussaka en retsina op tafel, feta, dolmades,… Niets daarvan! De Cyprioten promoten zonder verpinken hun eigen producten. De Cypriotische keuken is een mengelmoes van in hoofdzaak Griekse, Turkse en Arabische elementen, maar de Engelse invloed laat zich soms ook gelden.
Ze houdt zich ook niet aan de grens tussen noord en zuid. Als je de moeite neemt en de toeristische kustplaatsen even laat voor wat ze zijn, dan neem je de bus (3 euro voor een dagticket) en je trekt het binnenland in.
Ontbijten in Omodos aan de voet van het Tróodos-gebergte: dikke plakken brood met olijven, tomaten en halloumi, de typische kaas die je alleen maar op Cyprus vindt, zeemzoete confituur van pruimen, vijgen en gruwelijk bittere koffie. De eigenaar van het kleine café maakte me in gebroken Engels en met veel gebaren duidelijk dat het niet aangeraden was je tas tot op de bodem uit te drinken: de gemalen koffie werd gewoon in de tas gekieperd en overgoten met kokend water; de tas helemaal leegdrinken zou gelijk staan aan diarree voor eeuwig en drie dagen…
Of mezze eten in Agios Therapon. Mezze zijn de Grieks-Cypriotische tegenhangers van de Spaanse tapa’s, maar anders dan in Spanje krijg je niet het hele assortiment ineens voorgeschoteld. Het is de keuken die beslist wat je eet en wanneer je het op tafel krijgt: je begint traditioneel met glyko (gekonfijt fruit) met een glas water, daarna volgen sla, feta en tzadziki (typisch Grieks, dus toch!), groene olijven, pitabrood, skordalia (aardappel- en lookdipjes), taramosalata (salade van viskkuit) en tahini (dat is dan weer typisch Arabisch: gemalen sesamzaadjes met yoghurt) om mee te beginnen. En dan komen de warme hapjes: champignons met olijfolie en citroen, gegrilde halloumi, courgettes, kip, kebab, gekookte groenten (meestal broccoli en bloemkool), pilav, Griekse worst (de ‘loukanika’) en slakken in tomatensaus, hersenen met kappertjes... Daarnaast nog vis, lountza (gekookte varkenslende), kleftiko (lamsvlees), keftedes (vleesballetjes), sheftalia (varkensrissole), … En daarbij hoort uiteraard Cypriotische wijn: gaande van zoet tot zeer zoet. En mocht je dan nóg niet genoeg hebben, dan zijn er nog desserts: de typisch Cypriotische ‘halfa’ (griesmeelpudding met nootjes en kaneel), soutzoukos (snoepjes op basis van walnoten en honing), fruit of ‘mechlebi’, een Libanees dessert van witte room. Libanon is immers niet ver: tot aan de kust van het Midden-Oosten is het slechts honderd kilometer.
Naast de eigen wijn, promoten de Cyprioten nog twee drankjes van eigen bodem. Enerzijds is er de Commandaria, een amberkleurige (weer maar eens zoete!) dessertwijn - een beetje vergelijkbaar met porto - die volgens de overleveringen een van de oudste wijnen is, die voortdurend geproduceerd is geworden. De Griekse dichter Hesiodus heeft het er al over in 800 voor Christus. Maar, de meest bekende historische liefhebber is ongetwijfeld koning Richard Leeuwenhart, die deze wijn met zijn genodigden dronk op zijn huwelijksfeest in 1191 in Lemessos (Limassol), toen hij zich opmaakte voor de derde kruistocht. Blijkbaar tot zijn groot enthousiasme, want hij doopte hem achteraf tot 'een wijn voor koningen en de koning onder de wijnen'. Ieder zijn smaak, natuurlijk.
Van een heel ander kaliber is dan weer de Zivania. Deze drank wordt gedistilleerd uit de resten van druiven en is niet bepaald voor watjes: het alcoholpercentage schommelt tussen de 45 en 85°. Jawel, u leest goed! Dat de Cyprioten dit drankje massaal in huis halen, komt omwille van de ‘veelzijdigheid’ in gebruik. Uiteraard is zivania een veel gedronken aperitief. In de winter tegen de kou (in het binnenland kan het bitter koud zijn), maar wat is dan het excuus voor de zomermaanden? Zivania wordt ook gebruikt als huismiddeltje tegen verkoudheden (‘Mama smeerde vroeger mijn rug ermee in,’ vertelt de cafébaas) en tandpijn, als een soort van massage-olie en… om de ramen mee te kuisen! Dus, als je een fles in huis haalt, en je lust het goedje niet, alternatieven genoeg.
Onafhankelijk, maar niet van harte
Bij dit alles denk je: die trekken aardig hun streng, nu ze onafhankelijk zijn. Ja, maar toch: onderhuids leeft de ‘Enosis’ nog altijd. Makarios aanvaardde de onafhankelijkheid alleen maar om achteraf bij Griekenland, het ‘Moederland’ te kunnen aansluiten. Dat was buiten de Turkse minderheid gerekend en dat wordt hen vaak bijzonder kwalijk genomen. Het leeft nog altijd in de gedachten van de Grieks-Cyprioten en is nog het meest zichtbaar in het straatbeeld: geen Cypriotische vlag wordt gehesen, tenzij naast de Griekse die de eerste plaats inneemt.
Hét bindmiddel bij uitstek is niet het eten maar de religie. Grieken en Grieks-Cyprioten zijn orthodoxe christenen. Cyprus mag zichzelf trouwens tot de oudste ‘christelijke’ landen in de wereld rekenen, aangezien de bekering al gebeurde in de eerste eeuw, door de apostelen Paulus en Barnabas. Negenenzestig procent van de eilandbewoners is orthodox (‘zo geboren’, je weet wel), een duidelijk overwicht ten overstaan van 27% islamieten (die haast alle in Noord-Cyprus in het ‘bezette gedeelte’ wonen) en 4% belijden andere godsdiensten (Armeniërs, Maronieten, Joden, protestanten). En precies die nauwe verwevenheid van kerk en staat maakt van de onafhankelijkheid iets tweeslachtigs: het is een beetje ‘kunnen maar niet willen’.
Abonneren op:
Posts (Atom)

